Al zoveel gedaan. En toch.
Wat heelt als je stopt met vertellen
Afgelopen maandag in een van mijn Zoomsessies. Marloes is midden in een zin als het ineens opkomt.
Ze was aan het vertellen over haar moeder. Niet voor het eerst. Ze kent dit verhaal al jaren, heeft het besproken, geanalyseerd, doorgrond. En dan, terwijl ze praat, zegt ze iets wat ze niet had gepland:
“Ik denk ineens dat ik nog steeds heel boos ben omdat ik maaltijden geserveerd krijg. O, wat grappig dat ik die beeldspraak nu ga gebruiken. Van allemaal dingen die ik niet lust, die ik niet wil, die ik niet kan verteren. Niets van wat ik op mijn bordje heb gekregen toen ik klein was, had ik plezier in.”
Ze is zelf verrast. De boosheid op haar moeder wist ze allang. Maar dit beeld had ze niet bedacht. Het was er ineens.
Dat is het moment waar het voor mij om gaat. Iets wat opkomt als het systeem er klaar voor is om te verwerken en achter zich te laten.
Wat het hoofd niet kan doen
Marloes is zelfstandig ondernemer, al jaren serieus bezig met zichzelf. Ze heeft veel gedaan via het reguliere circuit. Specialistische zorg, traumaverwerking, meerdere trajecten. Ze weet wat er met haar aan de hand is. Haar woorden, aan het begin van onze eerste sessie: “Ik ken het eigenlijk wel met mijn hoofd.”
Laura is een Vlaamse coach die zelf anderen opleidt. Ze kent het vak van binnenuit. Haar woorden in het intakeformulier: "Ik heb al zoveel geprobeerd, zoveel gelezen. Ik zet wel stappen, maar merk dat ik fundamenteel blijf vastlopen."
Beiden zijn geen beginners. En toch zaten ze hier, met dezelfde vraag eronder: hoe komt het dat ik dit al zo lang weet, en er toch niet uitkom?
Die vraag hoor ik vaker. Van mensen die veel hebben geprobeerd, veel hebben gelezen, veel hebben gedaan.
Ik stel cliënten soms een simpele vraag: zit je denken nu in het verleden, het nu, of de toekomst? Het antwoord is vrijwel nooit: het nu. Het hoofd herhaalt wat het kent, of trekt het verleden door naar wat er straks misschien misgaat. Dat verklaart waarom patronen zich blijven herhalen, ook als je ze allang begrijpt.
Voelen werkt anders. Voelen kan alleen in het nu.
Maar dat wist ik zelf ook niet altijd. Ergens begin middelbare school heb ik besloten dat ik niet meer wilde huilen. Wat ik toen niet doorhad, is dat ik mezelf daarmee verder afsloot van het voelen. Dat heb ik pas veel later ontdekt.
Als er iets heftigs gebeurt en je het op dat moment niet kunt dragen, laat je systeem de volle realiteit los. Je gaat uit het voelen. In je hoofd bouw je een beheersbare versie van de werkelijkheid om jezelf staande te houden. Dat is geen fout. Dat is overleven.
Maar die beschermingslaag groeit mee. Hij wordt een programmering. En elke keer als er iets gebeurt dat lijkt op die vroegere situatie, plakken verleden en heden op elkaar. Je reageert niet op wat er nu is, maar op wat er ooit was. Totdat je wakker wordt en merkt: ik doe dit al mijn hele leven. Zolang dat niet gebeurt, ga je keer op keer uit contact met jezelf, zonder het te weten.
Bij Marloes begon dat vroeg. Gescheiden ouders, een sfeer thuis die ze omschrijft als “moordlustig, rancuneus.” Een vader die jaren spoorloos was. Ze leerde overleven door niet bij wat ze voelde te blijven.
Bij Laura begon het anders, maar even vroeg. Een gezin met chronische spanning, thuis altijd iets van onveiligheid in de lucht.
Dat blijkt niet uit wat ze vertellen. Dat blijkt uit wat er opkomt als ze ophouden met vertellen.
Marloes: het streefleven
In de eerste minuten van haar sessie valt er een woord dat me treft: streefleven. Ze beschrijft hoe het haar niet lukt om dingen vanuit ontspanning te doen. Of ze nu drie uur werkt of acht, de druk voelt hetzelfde. Ik laat het even landen. Dan vraag ik of ze het nu kan voelen in haar lijf.
Ze wordt misselijk. Ze krijgt het benauwd. Huilneiging. Dan komt een hoestbui en is de activering even weg. Ik wijs erop: het was er, en nu is het weg. Ze verbindt zich er opnieuw mee. Het komt terug.
“Ik wil je uitnodigen om erbij te blijven. Ook al is het niet fijn.”
Ze blijft. Ze voelt nog steeds haar keel. Dan:
“Ik ga je nog een vraag stellen. De uitnodiging is om het antwoord niet uit je hoofd te laten komen. Eens kijken of er iets oppopt.”
Ze voelt pure paniek, een benauwdheid die ze niet kan plaatsen.
“Ken je dit gevoel? Komen er associaties of herinneringen op als je helemaal teruggaat in de tijd?”
Een lange stilte.
“Het is een existentiële paniek.”
“Welke leeftijd heeft die?”
Weer een stilte.
Ik vraag hoe oud het meisje was. Ze gaat terug. Ver. En dan, zonder dat ik stuur, de herinnering: hoofd onder de kussens bij haar zus, om het geschreeuw van haar ouders niet te hoeven horen.
Ik vraag wat ze zou doen als ze als volwassene die kamer binnenkomt en haar daar ziet. Ze zegt zonder aarzeling: haar op schoot nemen. Ik laat haar zien hoe. Handen gekruist over de borst. Ze volgt. Als je je handen zo houdt, denkt je systeem dat het iemand anders is die je vasthoudt.
Ze ontspant. En ik ontspan ook.
Dit alles speelde zich af in het eerste halfuur van haar eerste Zoomsessie.
Laura: mezelf opvullen
Diezelfde dag, later, zit Laura tegenover me. Ze beschrijft een situatie met een familielid. Zodra de spanning zichtbaar wordt in hoe ze erover praat, vraag ik wat ze voelt in haar lijf.
Het rommelt in haar borst. Kippenvel op haar armen. Benen tintelen. Haar keel wringt. Druk op de borst.
“Blijf erbij. En bij de volgende vraag: laat het antwoord niet uit je hoofd komen. Welk gevoel of emotie roept dit op?”
“Woedend. Woest. Ik weet niet wat de vertaling van rage is, maar het is dat.”
Ze blijft erbij. Dan: komen er herinneringen op als je teruggaat in de tijd? Ze ziet een meisje van vijf jaar op een balkon. Een oom die van beneden roept. Haar vader die lacht. Haar moeder die zich geneert. Het voorval verdwijnt onder de mat. Het kind staat er alleen mee.
Ik vraag hoe het voor haar was zonder de gedachten. Verwarrend. Onzeker. Niet veilig. “Gezwalpt.”
Dan nodig ik de volwassen Laura uit. Wat kun je haar aanreiken?
Een lange stilte.
“Ik zou haar op mijn schoot nemen. Er komen geen woorden. Ik kan alleen zeggen: ik zou haar op mijn schoot nemen.”
Maar dan vertelt ze iets wat ik niet had verwacht. Voordat ze naar het kind kon gaan, moest ze eerst haar eigen ontreddering en boosheid laten afvloeien. Ze zei het zelf: “Daar help ik dat kind niet mee.” Ze wachtte. Liet het zakken. Pas daarna kon ze het kind vasthouden. Handen gekruist over de borst.
Na een lange stilte zegt ze het in drie losse stukken:
“Ik ben mezelf aan het opvullen.”
“Met warmte en liefde.”
“Die op al die momenten er niet waren.”
Daarna: “Er wordt zoveel gesproken over uzelf graag zien. Maar ik kon het niet bevatten totdat wat ik nu gevoeld heb.”
Het rommelen in haar borst, het kippenvel, de druk, alles weg. Ze zat weer in zichzelf. Dat is wat contact met het innerlijk kind doet als het lukt: het systeem vindt rust en vanuit die rust ontstaat helderheid. Niet als gedachte, maar als toestand.
Ook dit binnen de eerste helft van haar eerste sessie.
Dit is traumaheling: alsnog ontvangen wat er ooit niet was. De spanning die je in het nu beïnvloedt kan afvloeien. Het is een proces van een ui afpellen, laag voor laag. Na één sessie is de toon gezet.
Precisiewerk
Dit is geen methode die je stap voor stap doorloopt. Het vertrekt vanuit een toestand: volledig aanwezig zijn met je hele systeem, zodat je voelt wat er werkelijk speelt in plaats van wat je verwacht of vreest.
Ik ga niet op zoek naar een herinnering of een oorzaak. Ik nodig uit om te blijven bij wat er nu is en te kijken wat het lichaam zelf laat zien. Pas als iemand er echt bij kan blijven, stel ik de vraag of dit gevoel ergens aan doet denken. Of er een associatie of herinnering opkomt. Ik zeg er vaak bij: laat het antwoord niet uit je hoofd komen. Dan wordt het downloaden van wat je al weet.
De leeftijdsvraag bij Marloes volgde niet op een zoektocht naar het verleden. Ze zat midden in een lichamelijke sensatie, en ik was gewoon nieuwsgierig: hoe oud is dit gevoel? Haar systeem wist het antwoord al.
Bij Laura wachtte ik. Ik voelde dat haar eigen ontreddering eerst moest zakken voor ze naar het kind kon. Dat voel je alleen als je zelf goed aanwezig bent, ook door een scherm heen.
Hoe meer ik aanwezig ben in mijn eigen centrum tijdens een sessie, hoe meer ruimte er ontstaat voor de ander om te landen. De timing van een vraag, een stilte, het moment waarop ik iets benoem of juist niet: dat voel je alleen als je zelf goed geworteld bent.
Hetzelfde zie ik bij andere cliënten. Een stampvoetend kind dat al tientallen jaren stilgehouden was en eindelijk even ruimte kreeg. Iemand die midden in een zin bij een formulering uitkwam die ze nog nooit had uitgesproken, maar die precies klopte. Elke keer anders, elke keer onverwacht.
De berg in jou
Wat er in zo’n sessie gebeurt, is geen eindpunt. Het is een opening.
Marloes en Laura hebben allebei iets gevoeld dat ze niet hadden kunnen bedenken. Een beeld dat opkwam, een kind dat ze alsnog konden vasthouden. Doordat het innerlijk kind de geruststelling heeft gekregen die het ooit heeft gemist, is er iets verschoven in het systeem van de cliënt. Dat is het moment waarop de oefening zinvol wordt.
In een volgende sessie gaan we verder met Brainspotting: dieper in het onbewuste. Maar ik begin bewust hier. Zodat de controlerende mind iets heeft om mee te kunnen. En zodat je niet op mij hoeft te wachten om terug te keren naar jezelf.
De oefening die ik aanreik, de berg in jou, helpt om die belichaamde ervaring levend te houden. Als dagelijkse uitnodiging om terug te keren naar wat er in de sessie even open stond. De eerste keer heb je begeleiding nodig om er te komen. Maar dankzij de belichaamde ervaring kun je vaak zelf je innerlijk kind troosten.
Want uiteindelijk hoef je niet telkens terug naar een concrete herinnering. Je leert weer voelen wanneer er iets ouds in je systeem wordt aangeraakt, en je kunt het jonge deel in jezelf geven wat er nodig is. Zodat dat deel zich veilig genoeg voelt.
Dat is wat er langzaam verschuift: steeds vaker zie je op welk moment je uit contact gaat met jezelf. En steeds eerder terugkeert.
Al het innerlijke werk hiervoor was niet voor niets. Het systeem was klaar voor een volgende stap. Vaak begint die beweging al vóór de eerste sessie. Op de rand van het onbekende. Spannend, maar met een gezonde spanning. Iets in je weet: dit heb ik te doen.
En soms herkennen mensen dat al in mijn podcasts of blogs. Niet als uitleg, maar als een gevoel van: hier begrijpt iemand iets wat ik zelf nog niet helemaal kon pakken.
Daar begint het.
Marloes en Laura zijn fictieve namen. De inhoud is geanonimiseerd en met toestemming verwerkt.




dag Lars,
dit gaat zo over mij, bijna eng.
groetjes,
Lies