Als je elkaar een beetje kwijt bent
Over terugkomen bij jezelf, en bij elkaar
Deze week had ik een sessie met Maartje. Ze is net jarig geweest. Met haar ex heeft ze afgesproken dat hij samen met de kinderen iets voor haar uitzoekt. Op haar verjaardag komt er niets. Druk, dat begrijpt ze. Maar de dagen daarna blijft het stil.
Een week later komen de kinderen naar beneden met een doos. Beschadigd, een gat erin. “Hier, je cadeautje stond nog boven.”
Normaal doet ze enthousiast. Het zal wel, fijn dat jullie eraan dachten. Nu niet. Ze kan het niet opbrengen. Haar dochter wordt boos en verdwijnt naar haar kamer.
Die avond krijgt Maartje een bericht. Of ze er nog even over kunnen praten als ze thuis is. En als ze thuiskomt, zegt ze iets wat ze normaal nooit zegt: “Ik zie dat jullie echt je best hebben gedaan om iets voor me te regelen. Alleen voelde ik me een beetje vergeten.”
Ik zie dit gebeuren met veel mensen die ik begeleid: twee mensen met goede bedoelingen, allebei geraakt, allebei op zoek naar contact. En toch loopt het vast. In februari schreef ik over hoe dat mechanisme werkt.
In deze blog de volgende vraag: hoe kom je terug en overbrug je de afstand die is ontstaan?
Reageren vanuit een patroon werkt nooit
Als het schuurt, schiet bijna iedereen in een vertrouwd patroon. In februari beschreef ik die als vier windrichtingen. Je gaat verklaren en analyseren (Noord). Je wijst de ander af en legt het buiten jezelf (Oost). Je keert je tegen jezelf: schaamte, schuld, zelfkritiek (West). Of je past je aan en geeft op (Zuid).
Maartje kent vooral de pijl naar binnen (West). Ze houdt zich in, cijfert zichzelf weg, slikt het liever in dan dat ze iets laat merken. Maar de energie die niet naar buiten mag, verdwijnt niet. Die slaat als een boemerang terug naar binnen: onzekerheid, schuld, schaamte. En als het lang genoeg duurt, zet het zich vast in het lijf. In vermoeidheid, in lichamelijke klachten, in somberheid, soms in depressiviteit. Die link leggen mensen zelf zelden, terwijl ik hem in mijn werk steeds weer tegenkom.
Wat alle vier patronen gemeen hebben: zodra je erin schiet, ben je uit verbinding, met jezelf én met de ander. Je reageert vanuit de spanning, niet vanuit wat er werkelijk in je leeft. Hoe goed je je woorden ook kiest. Daarom werkt het nooit, niet omdat de patronen verkeerd zijn. Het zijn beschermingsmechanismen die ooit nodig waren. Maar ze brengen je niet terug bij de ander.
Eerst terug bij jezelf
Voordat je terugkomt op wat er is gebeurd, is er één beweging nodig die bijna altijd wordt overgeslagen: eerst terug bij jezelf.
Niet meteen het gesprek in. Eerst voelen wat er in je is. Waar zit de spanning? Wat is er geraakt? Wat is van jou, en wat is oud?
Dit is wat ik de berg noem: de plek van waaruit je spanning kunt voelen zonder er meteen iets mee te doen. Je bent er. Je voelt het. Je blijft bij jezelf terwijl er iets schuurt. Voor wie de eerdere blog heeft gelezen: dit is dezelfde beweging, nu met de ander erbij.
Pas vanuit die plek kun je iets zeggen dat aankomt.
Wie niet boos mag worden, kan ook niet begrenzen
Bij Maartje en bij veel mensen die de pijl naar binnen kennen, zit er een sterke censuur op boosheid. Op irritatie, op de rauwe energie die zegt: tot hier en niet verder. Vroeger mocht die er niet zijn, of het was onveilig om hem te laten zien. Dus leerde ze hem in te slikken.
Maar boosheid en begrenzen komen uit dezelfde bron. Begrenzen vraagt om een beetje van diezelfde energie, de kracht om iets tegen te houden. Wie het ene heeft weggedrukt, kan ook moeilijk bij het andere.
Dit wordt vaak verkeerd begrepen, dus ik zeg het er expliciet bij: het gaat er niet om dat je je boosheid uitleeft. Dat is net zo goed uit contact en richt zich destructief op de ander, op jezelf of op de relatie. Het gaat erom dat je de censuur eraf haalt. Dat je die rauwe energie eerst weer leert toelaten, ook als dat een reactie oplevert die niet fijn is.
Want pas als je hem mag voelen, ga je hem eerder herkennen. De spanning in je buik, het moment dat er iets gebeurt wat niet klopt. En als je dat vroeg genoeg merkt, bouwt het zich niet op. Dan kun je begrenzen zonder lading.
Het is een leerpad. Ik vraag mensen weleens: hoe heb je leren lopen? Met vallen en opstaan, niet in één keer goed. En door af te kijken bij wie het al kon. Twee dingen die we later allebei afleren. Op school moet het meteen perfect, en afkijken heet daar spieken. Veel mensen zijn bovendien te eigenwijs om iets van een ander over te nemen. Terwijl je iets nieuws, zoals voor jezelf opkomen, precies zo leert als lopen. Onhandig eerst.
Maartje viel ook. Ze reageerde niet vanuit verbinding met zichzelf en haar dochter werd boos. Maar ze liet voor het eerst iets toe wat ze altijd had ingeslikt. Dat is winst.
Communiceren vanuit verbinding met jezelf
Ik oefen dit geregeld met mensen. Niet als techniek maar als vraag: wat zou je zeggen als je niet wil uitleggen, niet wil verdedigen, maar gewoon eerlijk bent over wat het met je doet?
Met Maartje richt ik me op een terugkerende situatie met haar ouders, waar ze zich al jaren op vastloopt. Ik vraag haar te voelen wat er in haar is als het weer zo’n moment is. Niet wat ze ervan vindt. Wat ze voelt.
Ze is even stil. Dan: “Ik word hier heel erg ongemakkelijk van. Ik maak me klein. Ik wil dan verdwijnen.”
Ik vraag: “Denk je dat dat aankomt als je het zo zegt?”
“Ja”, zegt ze. En tegelijk: ze heeft dit nooit zo gezegd.
Dat is precies het punt. Ze spreekt op de emotionele laag, niet op de inhoudelijke. Dat verschil is groter dan het lijkt. Zodra je iets zegt over de situatie, of over de ander, kan het als verwijt landen. “Jij doet altijd...”, “Je luistert niet”, “Het ging zo en zo.” Daar kan de ander het mee oneens zijn, en dan ben je terug bij de discussie.
Maar over hoe jij je voelt, valt niet te twisten. Dat is van jou. De ander kan er niets van vinden, alleen maar horen. Daarom komt het aan.
Zo klinkt dat: “Ik word hier heel ongemakkelijk van.” “Ik maak me klein.” “Ik wil dan verdwijnen.” En als de ander fel reageert, wat goed kan gebeuren, blijf je op diezelfde laag: “Nu wil ik nog meer weg.” “Dit raakt me.” “Ik wil zo graag dat dit stopt.”
Geen verklaring, geen verwijt. Alleen wat er in jou gebeurt. En als het spannend is om het te zeggen, mag dat er ook gewoon bij: “Dit vind ik moeilijk om uit te spreken, maar ik wil het toch proberen.”
Je kunt ook terugkomen op iets dat al even geleden was. Een simpele opening: “Ik wil even terugkomen op gisteren.” Zonder heel verhaal. En dan voelen wat er nodig is. Soms wil je weten of bij de ander ook nog iets hangt: “Ik heb het gevoel dat er nog iets is blijven hangen. Klopt dat?” Dan wachten. Niet invullen.
Inquiry: dezelfde beweging, samen
Soms heeft het zich opgebouwd. Of is de spanning zo hoog opgelopen dat je zelf de weg terug naar jezelf niet meer goed kunt vinden. Dan helpt het om de ander erbij te hebben, niet om het op te lossen, maar om elkaar weer te voelen.
Wat hier speelt, is in de kern dit: contact herstellen gaat voor het oplossen van de inhoud. Zolang jullie allebei vanuit spanning praten, raken jullie de draad kwijt, hoe goed de woorden ook zijn. Daarvoor gebruik ik inquiry: letterlijk zelfonderzoek, maar dan samen. Open aanwezigheid zonder oordeel, zonder advies, zonder de neiging om het meteen beter te maken.
Bij inquiry ga je tegenover elkaar zitten, zonder tafel ertussen. Neem eerst een paar minuten om aan te komen. Dan begint één van jullie te spreken: zeven minuten, zo dicht mogelijk bij wat er nu in je leeft, niet als verhaal maar als directe beleving. De ander luistert volledig, zonder te reageren, zonder advies, zonder instemmend knikken. Als de spreker stilvalt, laat je de stilte bestaan. Na de tijd geeft de luisteraar in eigen woorden terug wat ze in essentie gehoord heeft. Geen samenvatting, geen antwoord, gewoon: dit hoorde ik. Dan wisselen jullie.
De structuur doet wat in een gewoon gesprek zelden vanzelf lukt: jij bent zeven minuten lang alleen bij jezelf, terwijl de ander er volledig is zonder er iets mee te doen. Dat vertragen, dat ruimte geven aan wat er is zonder het meteen te willen oplossen, is precies de berg-beweging, alleen nu samen. En gaandeweg zul je merken dat je allebei anders begint te spreken. Niet omdat je het geoefend hebt, maar omdat er iets opent.
De oefening doet vaak wonderen als er gedoe is, als gesprekken te snel escaleren of je in dezelfde cirkels blijft ronddraaien. Omdat er iets opent als je echt gehoord wordt zonder dat de ander er iets mee doet.
Je hebt er geen begeleider bij nodig. Alleen twee stoelen en de bereidheid om even stil te zijn als de ander aan het woord is.
Maartje is een fictieve naam. De inhoud is geanonimiseerd en met toestemming verwerkt.
ps. je kunt ook reageren op LinkedIn




