De prijs van ingehouden boosheid
Over boosheid die niet naar buiten mag en daarom naar binnen slaat
Hij staat midden in de sessie op. We werken via Zoom, ik zie hem klein in beeld. Even laat hij zijn lichaam doen wat het wil. Schoppen, slaan, schudden. Dan gaat hij weer zitten en ik vraag hoe het is.
“Dat geeft energie of zo. Ik weet het niet.”
Een paar minuten eerder zat hij nog gebogen. Somber, moe. Hij had het over zijn broer, over iets wat gebeurd is en niet meer teruggedraaid kan worden. Boos op zichzelf, zei hij. Altijd boos op zichzelf. En nu, na het schoppen in de lucht, in een lege kamer, tegen niemand, zit er ineens energie in zijn lijf.
Niemand was er om die boosheid te ontvangen. Er was niets om kapot te maken. En toch werkte het.
Dat verrast de meeste mensen. We denken dat boosheid altijd ergens heen moet, naar iemand toe. Dus houden we haar binnen, want we willen niemand raken. En precies daar gaat het mis.
Waar het begon
Toen hij zich aanmeldde, sliep hij slecht. Een relatie was stukgelopen. Die hield hem al maanden vast in verwarring en verdriet, en hij voelde nergens meer echt contact. Niet met anderen, niet met zichzelf.
In de eerste sessie duurde het lang voordat er iets doorbrak. Een kloppend gevoel in de borst, gespannen schouders. En toen, bijna terloops, een zin die de toon zette voor alles wat volgde.
“Ik mis haar. Dat is ook zo. Eigenlijk mis ik mezelf.”
Die eerste sessie ging over gemis en verdriet. Aan boosheid kwamen we nog niet toe, en dat klopte ook: het verdriet lag bovenop.
Dat missen van zichzelf was niet nieuw. Het kwam van veel langer geleden. Als kind verloor hij vroeg iemand die hij niet kon missen. In de jaren daarna was zijn jeugd niet veilig: er was iemand bij wie hij voortdurend op zijn hoede moest zijn. En op latere leeftijd volgde een lange periode waarin hij zichzelf kwijtraakte om overeind te blijven.
Dat vroege verlies zat er nog, diep onder de boosheid. In een van de eerste sessies raakten we het even aan.
“Radeloos. Niet weten, joh. Wat, papa, waar ben je?”
Daar bleven we niet lang. Het was te vroeg in het proces. Maar dat moment liet zien waar hij als kind stond: radeloos en aangewezen op de mensen om hem heen. Een kind dat er zo voor staat, kan zich geen boosheid veroorloven. Boosheid zet de band op het spel die het nodig heeft, of maakt het nog onveiliger dan het al is. Dus leerde hij onderdrukken. Niet uit keuze; onderdrukken werd overleven. En daarom liep de weg terug naar wat eronder lag via de boosheid, niet eromheen.
De pijl die terugkeert
Ik werk vaak met een eenvoudig beeld. Boosheid is een pijl die naar buiten wil: frustratie, irritatie, het mogen vinden dat iets niet klopt. Dat is haar energie. Krijgt ze geen ruimte, dan slaat ze om. Ik noem dat de boemerang: wat je niet leeft, komt terug, en dan keert het zich tegen jezelf.
Negen van de tien keer is die boemerang een pijl die nooit naar buiten mocht; dat zie ik in mijn praktijk keer op keer. De boosheid die je onderdrukt verdwijnt niet. En dan wijs je jezelf af in plaats van de ander.
Het verschil zit in de richting. Boosheid maakt je groter. Ze richt je op en zet je in beweging, naar buiten toe. De boemerang doet het omgekeerde: hij trekt alles omlaag. Je wordt onzeker, gaat aan jezelf twijfelen. Schuld komt op en schaamte. Je maakt jezelf klein.
Zit dat patroon er structureel in, dan ligt somberheid op de loer en op den duur depressie. Die somberheid komt niet uit het niets. Het is levensenergie die nooit naar buiten mocht en zich naar binnen keerde.
Bij deze man zie je dat gebeuren. De boosheid over zijn broer, over dat wat gebeurd was en niet meer terug te draaien valt, kon nergens heen en werd schuld: boos op zichzelf, altijd boos op zichzelf. De boosheid op de vrouw die hem verliet werd schaamte. Alles draait naar binnen, en wat overblijft is somberheid.
“Daarom ben ik ook gewoon zo vaak somber, eigenlijk.”
Hij zegt het zonder drama. Alsof hij iets opmerkt wat er altijd al was.
Boos worden op de mensen om hem heen deed hij vrijwel nooit. Wat ik zag, in de sessies en in wat hij vertelde: hij trok zich terug, ging naar binnen, loste het in zichzelf op. Zo wordt de boosheid die niet naar buiten mag een muur tussen hem en de anderen.
Dat is de prijs. Niet alleen de somberheid in hemzelf. Ook het contact met anderen dat hij verliest. Dezelfde energie die hij wegstopt is de energie waarmee hij zich had kunnen laten zien.
Wat ik zelf moest leren
Ik ken dit niet alleen van de mensen met wie ik werk. Ik ken het van binnenuit, en hij wist dat vanaf het eerste uur. In die eerste sessie vroeg ik hem:
“Ken je dat een beetje, dat je een soort vulkaan kan worden, dat het plotseling uitbarst?”
En ik zei er iets achteraan over mezelf: “Ik negeerde die boosheid, dan word ik ook vulkaan en dat soort dingen. Ik heb gemerkt dat m’n buik eigenlijk een heel belangrijk signaal hierin is.”
Dat was geen techniek. Wat ik daar deelde komt ergens vandaan.
In januari van 2018 nam ik de commercieel domste beslissing van dat jaar. Ik beëindigde een samenwerking met een compagnon, terwijl klanten en partners er enthousiast over waren. Op papier onbegrijpelijk. En tegelijk de beste beslissing die ik dat jaar kon nemen.
Het was januari, en buiten raasde een storm. Vanbinnen raasde er ook een. Tijdens een opstelling viel ineens op zijn plek wat ik al maanden aanvoelde maar niet kon duiden: dat ik mezelf bleef aanpassen, dat ik uit verbinding raakte met mijn eigen kracht, dat doorgaan me meer kostte dan het opleverde.
Ik was boos. Echt boos, wekenlang. En ik vond het moeilijk om die boosheid in beheer te nemen. Dat woord gebruik ik nu nog, in sessies. Beheer. Niet wegdrukken, niet ongecontroleerd laten ontploffen, maar zorgen dat de energie ergens heen kan zonder dat ze destructief bij een ander terechtkomt.
In die weken leerde ik iets wat ik daarvoor wel begreep maar niet doorleefd had. Pas als ik door mijn boosheid heen durf te voelen, komt de echte boodschap tevoorschijn. Niet als ik eroverheen stap. Niet als ik het analyseer en begrijp. Als ik blijf.
Onder de boosheid lag pijn. En ik merkte dat ik daar steeds weer van wegliep, door niet alles helemaal naar me toe te halen. Mijn vriendin was daarin een genadeloze spiegel: zij zag me wegstappen op momenten dat ik zelf dacht dat ik bleef.
De buik weet het eerder
Wat die boze weken me gaven, werkt nog steeds door. Het zinnetje dat ik hem in de eerste sessie meegaf, dat mijn buik een belangrijk signaal is, komt uit deze periode.
Sinds die storm voel ik mijn buik veel beter. Zit daar spanning, dan weet ik inmiddels dat er iets gebeurt wat niet klopt voor mij. Ik weet het eerder dan ik het kan uitleggen. Het is een signaal, geen gedachte.
Maar mijn hoofd wil niet vertragen. Het wil door: pleasen, het goedmaken, eroverheen stappen, alles om wat er nu werkelijk is niet te hoeven voelen. En juist dat vertragen is wat ik nodig heb, want alleen als ik langzamer word, kan ik voelen wat de spanning me probeert te zeggen. Ga ik door, dan mis ik het.
Daarom werkt het om in een sessie stil te staan bij het ongemak. Niet om de boosheid kwijt te raken, maar om haar lang genoeg te voelen dat ze iets kan vertellen.

Laag voor laag
Zo werkten we ook bij hem: vertragen, stilstaan bij wat er is. In de eerste sessie kreeg vooral het verdriet ruimte. Vanaf de tweede liep de boosheid als rode draad door het werk. Ze kwam niet in één keer los, maar in lagen, en elke laag voelde net iets anders.
De eerste laag kwam in die tweede sessie en richtte zich op de figuur uit zijn jeugd die hem het meest onveilig had gemaakt. Ik vroeg hem zich voor te stellen dat die persoon voor hem stond. Wat eruit kwam, kwam zonder aankondiging.
“Die kan ik z’n nek omdraaien.”
De rillingen zakten weg, en wat overbleef was opvallend helder. Eerder in die sessie had hij veel gegeeuwd, telkens opnieuw. Nu was hij er ineens. Ik benoemde het verschil: “want daarnet was er veel geeuwen, maar nu voel je veel aanweziger, lijkt wel.” Zijn antwoord kwam meteen.
“Dat ben ik, dat doe ik constant, bijna een soort, waar komt het vandaan, joh?”
Het geeuwen was geen vermoeidheid. Het was een manier om weg te zijn. Zo begon hij zijn eigen vluchten te zien: met verbazing over zichzelf. En er zat een volgorde in die ik daarna vaker zag: eerst de ontlading, dan helderheid, en pas daarna het diepere inzicht. Niet andersom.
De tweede laag kwam een sessie later en ging dieper, naar de ouder die het dichtst bij de oorspronkelijke wond zat: zijn moeder. Ik leidde het in met een grap, om de druk niet groter te maken dan hij al was.
“Dat je moeder hier tegenover je zit. Ik lijk niet op haar, ga ik vanuit, tenminste.”
Wat hij daarna uitsprak had geen filter meer.
“Je hebt me in de steek gelaten. Je hebt me niet beschermd. Ik ben ongelooflijk bang geweest. En dat neem ik je kwalijk.”
Hij ging rechtop zitten. Ik had er niets voor gedaan. “Ik wil me niet klein maken,” zei hij, en hij verbond het zelf aan een oude houding die zijn lichaam al jaren aannam.
In de vierde sessie vond hij een formulering die ik hem niet had kunnen aanreiken.
“Mijn boosheid heeft gewoon geen ruimte gekregen.” En, verwonderd over zichzelf: “Ik ben nooit zo van overtuigd ergens in, maar de sleutel ligt bij mijn boosheid.”
Het was diezelfde vierde sessie waarin hij opstond en zijn lichaam liet doen wat het wilde. De scène waarmee deze tekst begon.
Niet naar de ander
Later in die vierde sessie gebeurde er nog iets. Hij sloeg op de bank, en merkte dat ook dát hem energie gaf in plaats van schuld. Ik zei het hem zo:
“Dat is de fuck-up in jouw systeem, hè? Je hebt er zoveel censuur op zitten dat het niet mag zijn, maar het is er. De boosheid. Er is energie die naar buiten wil. Er is frustratie.”
De boosheid is het probleem niet. De censuur erop is het probleem. En juist die censuur maakt boosheid gevaarlijk, niet andersom. Wat niet mag stromen, stapelt zich op. Toen hij zich weer verontschuldigde voor wat hij voelde, alsof het allemaal zijn schuld was, corrigeerde ik dat.
“Er mag gewoon een verschil zijn. Je mag gewoon iets niet leuk vinden. Het gaat erom dat je die energie een plek geeft.”
En vlak daarna, over wat er gebeurt als je dat niet doet:
“Er zitten heel sterke overtuigingen. Ik moet me inhouden. En dan wordt het gewoon een bommetje.”
Wie zijn boosheid leeft, raakt anderen niet. Het is juist degene die haar zo lang inhoudt tot ze buiten proportie uitbreekt: de opgestapelde irritatie van maanden, in één keer, over iets kleins.
Als mensen “leef je boosheid” horen, denken ze meteen aan uitbarsten. Aan de ander iets verwijten, een deur dichtslaan, woorden die niet meer terug te nemen zijn. Dat is precies wat ik niet bedoel, en in diezelfde sessie kwamen we op dat verschil.
“De energie die ergens heen moet. Als die niet naar buiten kan, gaat hij naar binnen. Maar het gaat er niet om dat hij bij een andere persoon terecht moet komen. Dat is alleen maar destructief.”
“En dat gebeurt wel, je...”
“Precies, omdat je geen beheer hebt.”
Daar komt het woord terug dat ik in 2018 zelf moest leren. Beheer is niet inhouden. Het is bepalen waar de energie heen gaat. Richt je haar op de ander, dan betaal je de prijs alsnog, nu in de relatie.
Daarom is een boksbal geen uitbarsting, en de bank ook niet. De lading zit in jou, en ze mag eruit. Ze hoeft niet bij de ander terecht te komen, ook al is je brein daarvan overtuigd. In een sessie somde ik de mogelijkheden op:
“Ga hout hakken. Boksbal, ook voor vrouwen werkt dat wel. Tennisracket is ook prima, of een stevige wandeling. En hard fietsen. Die energie.”
Of schreeuwen, in een kussen of in de auto als je alleen zit.
Zijn broer was er niet bij toen hij op de bank sloeg. De vrouw die hem verliet was er niet bij. Er was niets om kapot te maken. En toch ging er iets van de lading af. “Alsof er een mist verdwijnt,” zei hij een keer.
En wie dit oefent, leert de energie steeds vroeger herkennen. Niet pas als ze is uitgebarsten, maar als ze begint op te komen. Bij hem was dat vaak iets alledaags: vertragingen in zijn werk, een klant die niet reageerde. Geen groot drama, maar precies het soort moment waarop de irritatie zich anders ongemerkt verzamelt. Nu kon hij het zien aankomen. Even bewegen, de energie eruit, voordat ze zich vastzette.
Want zolang de boosheid onder censuur ligt, kun je haar niet voelen. En wat je niet voelt, kun je niet sturen. Dan blijven er twee uitkomsten over: de pijl naar binnen, met de schuld en de somberheid, of de onbeheerste uitbarsting naar buiten. Pas als je de energie durft te voelen, voorbij wat er niet mag zijn, ontstaat er ruimte om te kiezen.
Tot hier
Wat valt er dan te kiezen? Om te beginnen: een grens.
Tijdig begrenzen begint met durven voelen dat iets niet oké voor je is. En dat voelen begint bij boosheid. Niet de uitbarsting, maar het simpele signaal: dit wil ik niet, tot hier.
Wie dat signaal niet kent of niet durft te volgen, heeft geen grens om op terug te vallen. Dan blijft alleen aanpassen of terugtrekken over. En de irritatie die je niet omzet in een grens verdwijnt niet. Ze gaat ondergronds. Er komt langzaam iets tussen jou en de ander in te staan, iets wat je niet meer benoemt.
Tijdig begrenzen is niets anders dan boosheid die haar werk doet voordat ze zich opstapelt. Je benut de informatie die in de irritatie zit - dit klopt niet voor mij - zonder dat ze zwaar wordt en zich oplaadt. Klein, gewoon uitgesproken. Zo bescherm je niet alleen jezelf, je houdt ook de relatie gezond, want wat uitgesproken is, hoeft niet ondergronds te woekeren.
De berg
Toch komt zuiver begrenzen niet uit de boosheid zelf. Het komt uit de rust erachter.
Er is een positie van waaruit je de ander werkelijk ontmoet, niet vanuit een muur en niet vanuit een uitbarsting. Ik noem die positie de berg, of de contactpositie. De spanning en het ongemak mogen er zijn, zonder dat je erin meegaat, en dan kun je iets simpels zeggen als: dit vind ik niet fijn. Geen verwijt uit het verleden, geen opgekropte woede van jaren, alleen wat er nu speelt.
Om daar te komen moet je beide uiteinden kunnen leven: de boosheid en de kwetsbaarheid eronder. De berg is de rust die ontstaat als je ze allebei kunt dragen.
Het bewijs buiten de sessie
Het duidelijkste bewijs kwam niet in een oefening. Het gebeurde gewoon, tijdens een sessie.
We waren aan het werk toen buiten de vrouw voorbijfietste die maandenlang zijn verdriet had beheerst. Eerst de oude radeloosheid. “Godverdomme, hoe is het mogelijk, telkens elkaar tegenkomen.”
Toen deden we het werk, en ik vroeg hem zich een ontmoeting voor te stellen. Zijn reactie was van een andere orde.
“O fuck, wat grappig.”
Verrassing, waar eerst radeloosheid zat. Zijn lijf was al verder dan zijn mind.
Wat veel later mogelijk werd
Ik ken dat verschil zelf.
Met de compagnon van toen heb ik jaren later opnieuw contact gehad. We hebben een paar gesprekken gevoerd om op te schonen wat er gebeurd was. Niet om gelijk te halen. Om allebei verantwoordelijkheid te nemen voor ons eigen aandeel, en elkaar te ontmoeten in de kwetsbaarheid. Dat kon pas toen de boosheid geleefd had. Eerder zou het een gevecht zijn geweest, of opnieuw een aanpassing.
Diezelfde beweging maakte hij in de laatste twee sessies, toen het werk verschoof van ontlading naar integratie. Zolang de boosheid onder censuur lag, kon hij ook niet echt dichtbij komen. Hij pleasede, of hij trok zich terug. Pas toen de boosheid een plek kreeg, durfde hij te vragen om verbinding. En kon dat vragen een eerlijk antwoord krijgen, geen automatisch nee.
Je hoorde het ook in hoe hij over zijn ex ging praten. Eerst was zij het middelpunt van maandenlange verwarring. In de laatste sessie klonk er iets anders.
“Het is niet meer zo beladen. Ik zou het eigenlijk los willen laten.”
Hij was haar niet vergeten. De lading was eruit.
Twee kanten van dezelfde beweging
Dat pleasen en terugtrekken kwam niet uit de lucht vallen, en hij is er niet de enige in. Ik zie het bij bijna al mijn cliënten: mensen die goed aanvoelen wat een ander nodig heeft, die zich aanpassen, die de lieve vrede bewaren. Pleasers. Onder dat pleasen ligt vrijwel altijd dezelfde ingeslikte boosheid en vaak eenzelfde soort geschiedenis: een kind dat zich geen boosheid kon veroorloven en voor de band koos. Bij hem begon dat bij een vroeg verlies en de onveilige jaren daarna. Bij anderen ziet de geschiedenis er anders uit, de beweging is dezelfde.
Daarom maakt het leven van de boosheid bijna altijd ook het begrenzen vrij. Geen twee losse thema’s. Eén beweging, die je aan twee kanten kunt zien.
Groter dan één man
Het waren zes sessies. Anderhalf uur per keer, via Zoom, verspreid over zeven weken. Negen uur.
Weinig, afgezet tegen wat eronder lag. En toch lag de eerste sessie ver van de laatste. In de eerste sliep hij slecht, zat hij vast in verdriet, was er nergens meer echt contact. In de laatste kwam hij binnen met een zakelijke tegenslag en het viel hem op dat die hem niet meer overnam. Hij zocht weer vrienden op, in de eerste sessie nog ondenkbaar. En hij besloot zelf om het open te laten, met de afspraak dat hij zich weer zou melden als hij ergens in vastliep.
“Ik ben zeer verrast,” zei hij over het geheel. Geen achterdocht, geen gevoel dat het niet klopte. Een rustige verwondering over wat er mogelijk bleek.
Ik wil niet suggereren dat elk traject er zo uitziet. Wat meehielp: hij leerde zijn lichaam vroeg lezen, hij bleef buiten de sessies om oefenen en hij was er klaar voor. Niet langer bereid om door te gaan op de oude voet. Mijn ervaring is dat het dan snel kan gaan; het is geen belofte dat het altijd zo loopt.
Aan het eind zei hij dat de bank waarop hij weken had geslagen wel wat pleisters kon gebruiken. De druk die hij erop had losgelaten, voelde hij niet meer.
“Die druk is er wel af.”
Wat bij hem op één bank loskwam, houden ontelbare mensen vast, in zichzelf en in hun relaties.
Het begon met een schop in de lucht, in een lege kamer. Het eindigde ergens anders: bij een man die zijn ex kon laten gaan zonder wrok, die zijn broer weer recht kon aankijken, die kon zeggen wat niet klopte zonder dat het een aanval werd of een aanpassing. Dat gebeurt als de energie eindelijk ruimte krijgt en de oude pijn eronder ook. Er blijft dan vaak weinig over. De boosheid kan er nog zijn, het verdriet ook, maar ze hoeven niets meer van je. Je hoeft er niet langer iets mee. Je kunt verder met je leven.
De boosheid mag er zijn.
.







