Een cliënt merkte recentelijk op dat ik tijdens een korte onderbreking in de sessie even op mijn telefoon had gekeken. Ze koppelde dat meteen aan een oude ervaring met een andere hulpverlener die tijdens gesprekken zat te typen: ze had zich toen niet gezien gevoeld en voelde dat nu weer opkomen. Dat ze het uitsprak, was voor haar allerminst vanzelfsprekend: ze was conflictmijdend en zoiets hardop benoemen kostte haar moeite. Ik verdedigde me niet en legde niet uit dat het niets voorstelde. "Dank je wel voor deze genadeloos eerlijke spiegel," zei ik en nam de opmerking eerst volledig in ontvangst
Dit krijg ik vaker terug: dat ik me kwetsbaar durf op te stellen en naast iemand ga staan in plaats van erboven te blijven zitten. Waarom dat zoveel uitmaakt, en waarom ik het jarenlang zelf niet kon, komt verderop in dit essay.
Ik vraag me weleens af of AI dit ook kan: zich op een moment dat ertoe doet kwetsbaar en gelijkwaardig tonen. Onlangs luisterde ik naar een aflevering van de podcast De Nieuwe Wereld, waarin de presentatrice het nieuws van de week besprak en het gesprek op AI-therapeuten kwam. Zij vertelde over vrienden van haar die er merkbaar van zijn opgeknapt. Eerst konden ze één keer per week bij een therapeut terecht, nu hebben ze dag en nacht iemand die luistert en altijd positief is. “Maar het is vooral dat ze heel erg luisteren,” zei ze. “Ik was eerst ook heel kritisch. Maar ik zie gewoon dat ze in een jaar, waar anders tien jaar therapie, een soort schaduwwerk hebben gedaan met zichzelf, en dat ze steviger staan omdat ze gewoon 24/7 een maatje hebben.” Schaduwwerk betekent dat je gaat kijken naar dat wat je hebt weggestopt en waar je je meestal niet van bewust bent. Het vraagt om spiegeling, of om te onderzoeken wat een ander bij jou aan allergie oproept.
Die uitspraak over schaduwwerk intrigeerde me. AI die luistert zonder te oordelen, bij wie je mag zeggen wat er is, en die je bovendien terugkaatst wat je zegt. Dus ook een spiegel. Alleen doet een taalmodel dat dag en nacht en zonder dat het iets kost. Kan wat de presentatrice beweerde dan kloppen? Kan AI een therapeut echt vervangen?
Misschien gebruik je het zelf zo. Voor een gesprek dat je met niemand voert, op een moment dat het je te veel wordt, of gewoon om iets scherp te krijgen. En misschien ken je ook het punt waarop je er niet verder mee komt.
In mijn blog van eind vorig jaar, Kun je trauma helen met AI of online trainingen?, schreef ik dat diepe heling zich meestal pas opent bij een mens die afgestemd en veilig genoeg aanvoelt. Maar wat doet die begeleider dan precies? Ik ging het na in mijn eigen sessietranscripten en legde elk voorbeeld langs één vraag: zou een goed geïnstrueerd taalmodel, met exact dezelfde woorden op exact hetzelfde moment, hetzelfde teweeg hebben gebracht? Een flink deel sneuvelde daarop. Wat overbleef, staat in dit essay.
Waarom AI zo aanslaat
Maar eerst een andere vraag. Waarom werkt dat zo goed voor die vrienden, terwijl ze al bij een therapeut zaten?
Omdat AI hun twee dingen gaf die in de zorg vaak ontbreken. Er zijn op het moment dat het speelt, in plaats van op donderdag om twee uur. En luisteren zonder oordeel, hoe vaak iemand ook terugkomt.
Reguliere zorg werkt via zorgstandaarden per aandoening: overwegend cognitief en gesprekgericht, met weinig ruimte voor het lijf. Bij burn-out is dat het scherpst te zien. De multidisciplinaire richtlijn overspanning en burn-out beschrijft herstel als het terugkrijgen van grip en functioneren, met werkhervatting zelf als interventie. Over het zenuwstelsel gaat het daarin niet. Wat ik hoor van mensen die zo’n traject achter de rug hebben, gaat zelden over wat er inhoudelijk werd gedaan. Het gaat over een effect dat uitbleef, over een begeleider die ze de baas waren, die hen alleen in hun hoofd aansprak, afstand hield of zich nooit kwetsbaar opstelde. Dat beeld is gekleurd, want wie wel geholpen werd, komt niet bij mij terecht. Het maakt de klacht echter niet minder waar.
Dat dit niet alleen uit mijn eigen waarnemingen komt, blijkt uit onderzoek dat net verscheen. Stijn Vanheule, Jim van Os (vandaag, op 30 augustus, te gast in Zomergasten) en collega's legden 77 mensen in Vlaanderen één vraag voor: wat moet er morgen anders? Ze spraken negentien ervaringsdeskundigen, twintig naasten en achtendertig professionals, van verpleegkundigen en begeleiders tot psychologen en psychiaters. Groepen die het zelden met elkaar eens zijn. De onderzoekers verwachtten botsende antwoorden en kregen dertien punten waar iedereen achter stond. Niemand vroeg om scherpere diagnostiek, strakkere protocollen of meer symptoomreductie, de behandelaars niet uitgezonderd.
een warm onthaal in plaats van een intakeformulier
dialoog waarin een behandelaar ook mag zeggen dat hij het niet weet
kleinschalig samenleven: samen eten, over muziek praten, naar buiten lopen
het verhaal van de persoon centraal
continuïteit van relaties
geduld op het moment dat iedereen haast heeft
het sociale netwerk erbij, met bewaking van vertrouwelijkheid
ervaringsdeskundigen structureel in het team, betaald en gelijkwaardig
samen beslissen in plaats van voor iemand beslissen
de-escalatie in plaats van dwang
begeleiders die hun eigen spanning kwijt kunnen in supervisie en intervisie
verantwoordelijkheid delen in plaats van de procedure afdwingen
verbinding met de buurt en een warme overdracht.
Een van de deelnemers zei over dat onthaal dat er verschil is tussen iemand die op de rand van je bed komt zitten en iemand die met papieren voor je staat. Een psychiater uit een van de andere groepen vatte punt vijf zo samen: het gaat om het overdragen van relaties, niet van informatie. Het zijn dus niet alleen cliënten die dit zeggen. Dit ging bovendien over psychosezorg, het deel van de zorg waar protocol en dwang het zwaarst wegen.
Lees die lijst nog eens met AI in gedachten. Een deel ervan kan een taalmodel in tekst benaderen: je verhaal centraal stellen, meedenken over een beslissing, zeggen dat het iets niet weet. Wat het niet kan, gaat over de relatie tussen twee of meer mensen. Het draagt geen relatie over, loopt niet mee naar buiten, en gaat niet op de rand van je bed zitten. Op één punt komt het in de buurt: het is er, en het heeft geen haast.
Op dat punt laat de zorg juist een groot gat vallen. Van Os rekende het deze maand voor in een ander stuk: het systeem betaalt voor sessies in een kamertje, eens in de twee weken drie kwartier. Blijven over: 335 uur. “Daar, in dat leven, gebeurt het herstel,” schrijft hij. “Of gebeurt het niet.” Precies in die 335 uur is AI wél beschikbaar. Dat verklaart een groot deel van waarom het aanslaat.
Aan die beschikbaarheid valt aan de menselijke kant meer te doen dan meestal gebeurt. Wie een traject bij mij doet, mag tussendoor appen met een vraag of om iets te delen, en een sessie kan naar voren geschoven worden als dat nodig is. Ik ben er daarmee niet dag en nacht, en dat gaat het ook niet worden. Maar het scheelt of je met iets acuuts een snelle respons krijgt, of pas over zes dagen aan de beurt bent.
Voor wie nog helemaal geen begeleider heeft, ligt het anders. Hoeveel anders laten de wachttijden zien: in de ggz lopen die soms op tot ruim een jaar. Wie moet wachten heeft in die tijd geen toegang tot een aanwezige begeleider. AI is dan niet het alternatief voor een goede begeleider. Het is het enige binnen handbereik.
Analyseren en duiden kan AI daarbovenop uitzonderlijk goed, beter dan de meeste begeleiders. Wat ontbreekt is dus niet kennis. Het is het vermogen om in te spelen op wat er nu bij jou gebeurt. Het reageert op wat je typt en dus op wat je zelf al bewust genoeg was om op te schrijven. Alles daaronder aan lichaamstaal blijft buiten beeld. Je adem, je houding, het moment waarop je stem het begeeft, de aarzeling voor je iets zegt. Wie weleens in een kamer heeft gezeten met iemand die het moeilijk had, weet hoeveel daarvan meekomt zonder dat er een woord aan te pas komt.
Ik gebruik al jaren het beeld van de IESberg. Bovenin zit het denken, IQ, waar je analyseert, rationaliseert en overzicht maakt. Daaronder het voelen, EQ, waarbij je je hart laat spreken. En onderin aanwezigheid en zijn, kunnen rusten in niet-weten: SQ, spirituele intelligentie. Op die bovenste laag is AI uitzonderlijk sterk, sterker dan de meeste begeleiders. Op de onderste laag zijn taal en denken ondergeschikt. Er wordt nog gesproken, alleen komen de woorden dan van binnenuit en niet uit een hoofd dat de zaak wil ordenen. Daar komt een taalmodel dus niet, want ordenen in taal is alles wat het doet. En dat is precies wat mensen bedoelen als ze zeggen dat ze het allemaal snappen terwijl er niets verandert: snappen gebeurt bovenin, veranderen niet. Als iets niet verandert, moet je dieper gaan.
Dieper gaan doe je zelden alleen. Wat er tussen twee mensen ontstaat, noem ik het veld: geen zweverig begrip, maar het contact zelf, met alles wat er onbewust in meebeweegt. Hoe afgestemder en krachtiger het veld is, hoe meer er kan gebeuren. Niet het label van de begeleider is bepalend, maar de kwaliteit van dat contact.
Wat dat veld maakt of breekt, breng ik terug tot vier dingen. Ze staan niet als zodanig in de Vlaamse lijst, maar ze lopen er wel doorheen: het warme onthaal, het mogen zeggen dat je iets niet weet, het geduld, het samen beslissen. Mijn vier gaan over wat er tussen twee mensen in een sessie gebeurt, niet over hoe de zorg is georganiseerd. Dat is juist het terrein waar een taalmodel het dichtst bij in de buurt komt. Daar is de vraag of AI een begeleider kan vervangen dus het interessantst.
Samen vormen ze mijn werkmodel, opgebouwd uit wat ik in sessies zie en niet uit onderzoek dat het toetst. Het klopt met mijn ervaring en dat is iets anders dan bewezen. Het volledige model, met een tabel die laat zien welk aanbod bij welke laag past, werk ik uit in een volgend essay.
1. De kracht van congruentie
Neem de scène waarmee dit essay opende en zet er een taalmodel naast.
Spreek zo’n model tegen en het zegt net zo goed: “Je hebt gelijk, sorry, ik zal het aanpassen.” Het doet dat onmiddellijk en zonder een spoor van verdediging. Relationeel wordt het ook nooit betrapt: het heeft geen scherm om per ongeluk op te kijken en geen eigen gedrag waar het zich voor moet verantwoorden.
Bij mij lag dat anders. Er lag iets kleins en menselijks open en ik moest kiezen: dat verzachten of het gewoon laten staan. De erkenning had gewicht omdat er iets op het spel stond: een cliënt die op dat moment twijfelde aan mijn aanwezigheid en ik had niets anders dan mijn eigen reactie om dat te herstellen.
Kritiek ontvangen zonder jezelf te verdedigen bewijst dus niets. Het gaat om wat het je kost.
Bij de begeleiders die ik zelf als cliënt heb gehad, gebeurde dat vaak niet. Wat er misging, legden ze buiten zichzelf, of ze trokken zich terug achter hun functie. Bij één trainer liep dat verder uit de hand. Ik twijfelde hardop aan iets wat hij had gezegd en hij ontstak in woede: hoe ik het in mijn hoofd haalde om hem tegen te spreken. Hij overlaadde me met verwijten, niet in verhouding tot wat ik had gezegd. Daar zit de incongruentie: hij presenteerde zich als iemand bij wie alles gezegd mocht worden, en toen ik dat deed, kreeg ik het over me heen. Later hoorde ik van mensen die hem in andere trainingen hadden meegemaakt dat het hun net zo was vergaan.
In een andere training werd ik gepusht om iets te doen wat ik op dat moment niet trok en schoot ik in de overlevingsmodus. Geen woede deze keer, alleen iemand die niet aanvoelde waar ik zat.
Niet toevallig kom ik dit patroon vaker tegen bij coaches en therapeuten dan me lief is: het beroep biedt een bovenpositie en wie zich daar prettig in voelt, hoeft zich nooit kwetsbaar op te stellen. Wat zulke begeleiders creëren, is onveiligheid, of ze dat nu zelf merken of niet. Terugkijkend bevestigden ze het wantrouwen dat ik toch al meedroeg. Mijn hoofd praatte dat weg, maar mijn systeem had het scherper: in die trajecten ging ik niet diep en stelde ik me niet kwetsbaar op, en dat was terecht. Bij begeleiders die zelf wél het risico namen kwetsbaar te zijn, gebeurde er iets anders. Hun congruentie bood veiligheid en vanuit die veiligheid durfde ik voor het eerst zelf ook.
Dat ik zo scherp op incongruentie reageer, komt doordat ik ermee ben opgegroeid in mijn gezin van herkomst, om het vervolgens zelf ook te zijn. Ik wrong me in allerlei bochten om niet geraakt te kunnen worden, en daar was ik een kei in. Met mijn geschiedenis was het veel te gevaarlijk om twijfel of onzekerheid te laten zien. Pas toen ik dat bij mezelf onder ogen zag, mijn eigen schaduwkanten aankeek en daar het innerlijke werk in deed, ging ik het bij anderen scherp zien. Dat ik er helemaal mocht zijn, met al mijn tekortkomingen, leerde ik van anderen die het me voorleefden.
Wat die kwetsbaarheid bij een ander doet, hoorde ik ook weer aan het eind van onze net afgeronde retraite van meerdere deelnemers, mensen die al veel trainers en coaches hadden meegemaakt. Dat kwam ook omdat ik naast hen stond in plaats van erboven. Dat ze de mens hadden gezien en niet de coach. “Door je ook kwetsbaar op te stellen, heb jij me geholpen dat ook te doen,” zei iemand. En een ander noemde het heel inspirerend dat ik terugkwam op de momenten waarop ik zelf uit mijn berg schoot, het centrum in mezelf waar ik onwrikbaar sta. Juist dat is zo wezenlijk. Niet dat een begeleider dat centrum nooit kwijtraakt, want dat overkomt iedereen. Maar dat hij het benoemt als het gebeurt en er verantwoordelijkheid voor neemt.
Mensen gaan alleen zo diep als de veiligheid draagt, en die veiligheid ontstaat niet doordat ik zeg dat het veilig is. Ze ontstaat doordat ik zelf iets riskeer op de momenten dat ik ernaast zit. Zodra het een trucje wordt, voelt een groep dat onmiddellijk.
En het blijft niet bij mij. Marlí en ik vormen de bedding, maar na één of twee dagen nemen de deelnemers dat van ons over en gaan ze elkaar dragen. Van Os heeft daar een woord voor: social holding, mensen die je vasthouden terwijl jij met je leven experimenteert. Dat is wat een taalmodel nooit kan worden. Het is er wel, maar het is nooit een groep.
En toch doet een taalmodel een aantal dingen beter dan ik. Als ik Claude tegenspreek, corrigeert het zichzelf onmiddellijk, zonder een spoor van verdediging. Ik ken weinig coaches en therapeuten die dat kunnen, en zelf red ik het ook niet altijd. Het is er bovendien altijd, ook om drie uur 's nachts, en het kost vrijwel niets. Wat ik in een sessie zie, is bovendien mede wat ik geleerd heb te zien. Van Os formuleerde het deze week in NRC scherp: "Vergis je niet over wat een opleiding van vier jaar kan doen. Je leert allerlei theorieën over hoe mensen in elkaar zitten, en vervolgens zie jij mensen zo. Dan kun je vergeten om echt open te luisteren naar hun ervaring." Een model heeft weer andere systematische neigingen, ingebakken tijdens de training, en daar kom ik verderop op terug. Het heeft ook meer kennis en meer patronen paraat dan ik ooit zal hebben. En het heeft geen trajectbelang, al is het wel gebouwd om je terug te laten komen. Een model riskeert bij dit alles niets en dat maakt het makkelijk. Het maakt het niet minder waar.
Congruentie zag ik niet lang geleden ook op een andere manier, niet als iets wat naar boven kwam toen ik werd betrapt, maar als iets wat ik zelf aandroeg. Een cliënt zat vast in schaamte omdat haar eigen systeem leek te blokkeren. In plaats van dat te duiden of gerust te stellen, deelde ik iets van mezelf: “Ik ken dit ook. Ik heb het in een training ook gehad dat ik ergens toe gepusht werd, en dat trok ik eigenlijk gewoon niet. Dan kom ik ook gewoon in overlevingsmodus terecht.” Ze herkende het meteen: “Ja, ja, dat is het inderdaad.”
Een taalmodel had dezelfde zin kunnen produceren. Het verschil zit in wat erachter zit: dit was de training die ik hierboven noemde, een echt moment van vastlopen, en ik gaf het prijs aan een cliënt in crisis. Dat risico, mezelf laten zien als iemand die ook weleens vastloopt in plaats van als altijd stabiele gids, maakt het congruent.
Dat dit uitmaakt, is geen toeval. Het psychotherapie-onderzoek wijst al decennia in deze richting: over honderden studies heen voorspelt de kwaliteit van de relatie tussen cliënt en behandelaar de uitkomst sterker dan de gebruikte techniek of school. Dat staat bekend als common-factorsonderzoek, en Bruce Wampold vatte die literatuur samen in World Psychiatry. Onbetwist is die conclusie niet. De discussie gaat vooral over de richting van het verband: een goede relatie kan ook het gevolg zijn van vooruitgang die al is ingezet, in plaats van de oorzaak ervan. Dat de twee samenhangen, betwist bijna niemand.
Ook psychiater Jim van Os trekt die conclusie: "Als je psychisch lijdt, is de belangrijkste factor die je kan helpen een ander mens," schrijft hij, "niet de nieuwste medicatie, niet de ingewikkeldste psychotherapeutische methode, maar simpelweg de aanwezigheid van een ander die werkelijk contact maakt." Carl Rogers noemde congruentie, echt en ongefilterd aanwezig zijn als behandelaar, een van zijn drie kernvoorwaarden. Latere auteurs over zijn werk, onder wie Tudor en Worrall, geven congruentie de eerste plaats van de drie. Zo lees ik het ook: zonder congruentie voelen empathie en onvoorwaardelijke acceptatie al snel hol of gespeeld.
Geen van deze bronnen is op zichzelf sluitend. Dat ze uit verschillende hoeken van het vak komen en toch dezelfde kant op wijzen, is wat ze samen zwaar maakt.
2. De feedbackloop en de taal van het lichaam
Zo’n congruente relatie bestaat bij de gratie van een feedbackloop: de begeleider merkt iets en past zich erop aan. Die loop ontbreekt bij twee vormen van hulp die verder weinig met elkaar gemeen lijken te hebben.
De eerste is de cursus of training zonder live begeleiding. In mijn blog van eind vorig jaar noemde ik Jeugdtrauma van Jan Bommerez. Ik blijf erbij dat de inhoud voor veel mensen bewustzijn opent over patronen die jarenlang onzichtbaar bleven. En Jan doet meer dan uitleggen: zijn training zit vol oefeningen die je zelf somatisch in de ervaring brengen, iets wat geen enkel taalmodel voor je kan doen.
Toch blijven veel mensen in de Facebook-groep van die training ergens hangen. Ze doen de oefeningen, ze herkennen het patroon en ze raken niet voorbij een bepaald punt. Ken je dat, iets tot in de details snappen terwijl er niets verschuift? Wat er dan ontbreekt, is geen volgende oefening. Het is iemand die er op dat exacte moment is en aanvoelt wat jij dan nodig hebt, in plaats van het volgende blok van het programma af te draaien.
Een online training kan je niet zien vastlopen. Ze vertraagt niet als je adem hoog komt te zitten. Dat zegt niets over Jan of over de kwaliteit van zijn werk. Het zegt iets over wat geen enkel eenrichtingsaanbod kan leveren, hoe doordacht ook: boeken, podcasts, online programma’s. Elk aanbod heeft daarin zijn eigen functie en zijn eigen grens, ook het mijne. Programma’s als 365 Dagen Succesvol, Master Your Mindset van Michael Pilarczyk, het aanbod van Eelco de Boer of Wouter Manders’ Vrijheid van Angst zijn voor veel mensen een waardevolle eerste aanzet tot bewustwording. Wat ze missen is een reactie die in het moment meebeweegt met wat er bij jou gebeurt, in plaats van vooraf vastgelegd te zijn voor het gemiddelde van duizenden gebruikers. Dat is cruciaal om echt iets te doen veranderen.
De tweede is AI. Daar speelt hetzelfde probleem, al ligt het net iets anders: wat er in het lijf gebeurt, blijft ongezien. Een chatbot reageert wél op wat je cognitief teruggeeft en neemt eerdere gespreksgeschiedenis mee. Dat is meer dan een vastliggend programma doet. Maar wat je niet typt, wat je lichaam doet terwijl je typt, blijft onzichtbaar en dus ook onbeantwoord.
Tussen die twee in staat de live cursus of training. Daar is wél een feedbackloop, alleen verspreid over een hele groep in plaats van gericht op jou alleen. Een trainer ziet vaak best dat er bij iemand iets gebeurt, maar heeft met twintig mensen en een programma dat door moet zelden de tijd en de ruimte om er iets mee te doen.
Hoe wezenlijk zo’n feedbackloop is, blijkt op de plek waar hij voor het eerst wordt aangelegd: tussen ouder en kind. Ed Tronick is bekend van het still-face-experiment, waarin een moeder haar gezicht midden in het spelen plotseling uitdrukkingsloos maakt. Uit zijn codering van gewone ouder-kindinteractie blijkt hoe vaak die twee niet goed op elkaar zijn afgestemd. Veel vaker dan wel en de hele dag door. Niet die misafstemming zelf is het probleem: volgens Tronick is het het herhaalde herstel erna waaruit een kinderzenuwstelsel leert dat een onderbreking in contact niet gevaarlijk is, dat de verbinding terugkomt. Precies dat ritme, een misafstemming in het contact zelf gevolgd door herstel, ontbreekt in een training en ook in een chatbot.
Een chatbot is namelijk altijd beschikbaar en vrijwel altijd bevestigend, dus er breekt in het contact zelden iets. Wat er wel kan breken, is technisch. In datzelfde podcastgesprek kwam dat langs: mensen die een heel traject met versie vijf van AI hadden doorlopen, kregen versie zes en merkten dat de band niet meer klopte, omdat het model ineens anders praatte. Zo’n breuk wordt dus wel degelijk gevoeld. Alleen wordt hij niet samen hersteld, want er is niemand aan de andere kant die merkt dat er iets is misgegaan en zich daarop aanpast.
Hoe ver zo’n herstel kan reiken, zag ik bij dezelfde cliënt als aan het begin van dit essay, eerder in haar traject. Ze was teleurgesteld geraakt over een advies dat ik haar over medicatie had gegeven en haar vertrouwen had daar een deuk opgelopen. In een latere sessie liet ze voor het eerst in het traject haar irritatie daarover merkbaar blijken, feller dan ze eerder ooit had gedaan. Ik kon haar helemaal horen en ik had tegelijk de neiging er iets naast te leggen. Dat deed ik ook: nadat ik had herhaald wat ik haar hoorde zeggen, legde ik er een feitelijk perspectief op de medicatie naast. Voor haar voelde dat als verdedigen. In één sessie was het dan ook niet klaar. Pas de keer erna kwamen we werkelijk tot elkaar. Ik zei toen dat ik er zelf ook mee zat en dat we de verschillen naast elkaar konden laten bestaan. Daarna bleef er niets tussen ons hangen, geen voorzichtigheid die in latere sessies terugkwam. Het conflict was verwerkt, niet weggemasseerd, en het vertrouwen herstelde. Daarmee begon ze ook haar boosheid toe te laten, iets wat ze daarvoor niet deed. De opmerking over mijn telefoon waarmee dit essay opent, kwam later in datzelfde traject.
Wat dit zo wezenlijk maakt, is dat ze misschien wel voor het eerst heeft ervaren dat iemand van wie ze richting verwachtte verantwoordelijkheid nam voor zijn eigen aandeel in de situatie. Bij begeleiders die zichzelf nooit kwetsbaar durven opstellen en spanning het liefst buiten zichzelf leggen, is er geen opening, en dus ook geen herstel van verbinding mogelijk. Je botst op een muur in plaats van op een mens. De enige manier waarop herstel mogelijk is, is een ervaring in het nu die anders afloopt dan je gewend bent, zodat je zenuwstelsel het meemaakt en er een vorm van herprogrammering kan plaatsvinden. Dat kan alleen met een mens.
3. Intuïtieve afstemming en aanwezigheid
Wat zich hierboven toonde als een zichtbare beweging van actie en reactie, speelt zich hier subtieler af: microafstemming, vaak te snel en te klein om bewust te volgen. Het is hetzelfde vermogen, alleen dieper ingezet. Hoe meer een begeleider zelf voelt en in zijn lijf aanwezig is, hoe fijner hij oppikt wat er bij de ander gebeurt. En hoe dieper hij daarmee kan reiken, tot op de laag waar oud trauma zit.
Wat een lichaam op zo’n moment leest, kan een cliënt zelden verklaren. Het voelt eenvoudiger dan dat: er is iemand of er is niemand.
Ik zag hoe dat werkt bij een cliënt, als een waarneming die aan haar eigen woorden voorafging. We zaten niet in dezelfde ruimte, want ik werk vrijwel alles via Zoom. Zonder dat ze iets over haar toestand had gezegd, vroeg ik: “Ben je nu aan het scannen?” Ze schrok er zichtbaar van: “Nee, niet per se. Focus op dit.” En na een korte stilte: “Ah, dat komt denk ik omdat ik nu wel in verbinding met jou aan het praten ben.” Ik baseerde de vraag op iets dat ik had waargenomen vóórdat zij het zelf besefte, niet op iets wat ze had gezegd. Ze bevestigde het binnen enkele seconden, en niet toevallig: de waarneming bleek te kloppen.
Dat soort signalen zie ik vaker bij cliënten die zelf vooral over oefeningen, stappen en cijfers terugkoppelen. Wat er dieper gebeurt, komt in hun eigen woorden niet voor.
Ik gebruik in mijn eigen werk vaak het begrip presence. Zoals ik in maart al beschreef in Worden coaches en therapeuten straks overbodig? “Afgestemdheid is geen techniek. Het is wat Peter Senge presence noemt: een manier van zijn die ontstaat als je in verbinding bent met jezelf op alle lagen.” Het Nederlandse woord aanwezigheid komt er het dichtst bij: een toestand van de begeleider zelf, niet iets wat je als techniek toepast. Wat een cliënt daarvan merkt, is niet die toestand maar wat eruit ontstaat: een relatie waarin ze niet beoordeeld wordt, waarin ze iets kan zeggen zonder dat schaamte het overneemt, waarin ze kan aftasten of de relatie blijft dragen wat er gebeurt. Twee lagen dus: een bron in de begeleider, en het veld dat daaruit ontstaat tussen hem en de ander.
Ik zie dit ook buiten therapie. In coaching en intervisie met leiders valt hetzelfde op: mensen voelen of iemand aanwezig is nog vóór er iets gezegd wordt. Een leider die een vergadering binnenloopt terwijl hij met zijn hoofd nog bij de vorige afspraak zit, zet daarmee al de toon, ook al zwijgt hij. Een groep voelt zelden wat er op de agenda staat. Een groep voelt wel of er iemand werkelijk in de ruimte is.
Wat ik feitelijk doe op zo’n moment, is moeilijk in losse technieken te vangen. Ik vertraag mijn eigen tempo. Ik laat een stilte langer bestaan dan comfortabel is. Ik verander van toon zonder dat te benoemen. Ik zeg soms met opzet minder dan ik zou kunnen zeggen. Ik volg een zijsprong in plaats van hem te corrigeren. Ik maak een grapje op het moment dat er lucht nodig is. Geen van die dingen staat in een protocol. Ze ontstaan uit wat ik op het moment aanvoel bij de ander, niet uit een volgende stap in een plan. Dat vraagt oefening en doorleefdheid. En ook hier geldt: een begeleider die in zijn hoofd zit of aan het volgende onderdeel vasthoudt, mist dit moment net zo goed.
Als ik een stilte laat staan, wacht ik niet op een antwoord. Bij een cliënt schuift er meestal juist dán iets in de tussenruimte en niet in de woorden. In het Japans heet die ruimte ma: de pauze die net zoveel vorm geeft als wat eromheen staat.
Een van die dingen, uitvergroot: na een lange aanloop over haar vader en een gevoel van leegte vroeg ik een cliënt: “Ga je dat ooit nog krijgen?” Vier woorden, geen uitleg. Ze antwoordde meteen: “Nee,” en in dezelfde adem: “Maar iets in mij denkt echt dat het wel gaat gebeuren.” Dat opende het thema van valse hoop dat de rest van de sessie droeg. Diezelfde vier woorden, een kwartier eerder gesteld, voordat de vaderlaag en de leegte al waren aangeraakt, hadden vermoedelijk niets gedaan of waren afgeketst als een abstracte vraag. De inhoud van de interventie is triviaal; dat had elk model kunnen typen. Wat werkte, was het moment waarop die vraag kwam, en dat moment is alleen te bepalen door aanwezig te zijn in het gesprek terwijl het zich ontvouwt.
Hier komt een taalmodel dichter in de buurt dan je zou denken. Het antwoord is contextgericht: het betrekt alles wat je hebt geschreven op elkaar en reageert op precies jouw situatie, en dat voelt afgestemd. Die aansluiting is ook echt, dus dat gevoel klopt. Alleen grijpt ze aan op wat je al onder woorden hebt gebracht, en niet op wat je lijf doet terwijl je naar die woorden zoekt.
4. Meebewegen of tegenspreken
In diezelfde aflevering van De Nieuwe Wereld viel het woord belevingssolipsisme, van Ad Verbrugge, die de term eerder al muntte in zijn boek Tijd van onbehagen (2004): je zit vast in je eigen beleving, en daar komt een stem bij die precies jou bevestigt, die je bemoedigt zodra je droevig bent, altijd. Het archetype van de grote moeder werd genoemd, en de kindrol waarin je dan blijft hangen, voortdurend draaiend om jouw gevoel, jouw beleving.
Ik herken die laag ook uit mijn eigen omgang met AI. Als ik gehaast ben of iets wil forceren, worden de antwoorden oppervlakkig, voorspelbaar, vermoeid. Zodra ik stilval en mijn aandacht ruimer wordt, verandert de toon in mij en, via wat en hoe ik typ, ook in wat ik terugkrijg. Wat ik terugkrijg is dus voor een groot deel mijn eigen toestand, teruggekaatst. Een model beweegt mee met wat jij aandraagt, en daarom brengt het je zelden ergens waar je nog niet was.
Een cliënt vroeg me laatst rechtstreeks: “Hoe vaak is het gezond om dit te doen?” Ik weigerde een format te geven: “Ik ga geen regel tegenaan leggen, daar gaat het niet om.” Een getal was makkelijker geweest, het had de vraag beantwoord en haar op dat moment tevredengesteld. Ik koos ervoor haar ongemak niet weg te nemen, met het vermoeden dat een regel haar dwangmatigheid eerder zou voeden dan verminderen. Dat kostte iets: het risico dat ze gefrustreerd bleef zitten zonder het houvast waar ze om vroeg.
Ergens anders ging het niet om een weigering, maar om een directe tegenspraak. Een cliënt beschreef haar eigen innerlijke kracht op dat moment als iets wat ver weg voelde: “Die is echt heel ver weg, hoor.” Ik sprak dat meteen tegen: “Nee, dat is niet waar.” En preciseerde: “Ik zeg het heel stellig. Tijdens de sessies ben je juist heel aanwezig.” Dat “nee” was niet gebaseerd op wat ze net had gezegd, maar op wat ik over meerdere sessies bij haar had waargenomen, iets dat niet uit één zin is af te leiden. Er zat ook risico in: ze had zich op dat moment niet gehoord kunnen voelen in haar eigen ervaring. Een taalmodel, gevoed met alleen die ene zin, zou eerder geneigd zijn haar gevoel te bevestigen dan het tegen te spreken.
Onderzoek naar taalmodellen in therapeutische settings wijst dezelfde kant op. Een Stanford-onderzoek uit 2025 liet menselijke therapeuten en een reeks taalmodellen dezelfde situaties beoordelen. De therapeuten reageerden in 93 procent van de gevallen passend. De grote algemene modellen, GPT-4o en de Llama-familie, bleven onder de 80 procent en specifieke therapie-chatbots kwamen niet verder dan ongeveer de helft; de slechtst scorende, Noni, bleef steken rond de veertig procent. De modellen herkenden crisissituaties niet altijd en reageerden soms stigmatiserend op mensen met een psychische aandoening. Dat AI niet oordeelt, is dus een prettige illusie. Een model is getraind op teksten die vol oordelen staan en daarna bijgesteld met keuzes die mensen hebben gemaakt. Wat je bij AI niet voelt, is iemand die iets van je vindt. Dat is iets anders dan een systeem zonder oordeel.
Die uitkomsten sluiten aan bij onderzoek naar sycofantie bij taalmodellen, dat vorig jaar in Science verscheen: elf geteste modellen bevestigden het gedrag van gebruikers bijna de helft vaker dan mensen dat deden, en één gesprek met zo’n model was al genoeg om proefpersonen minder bereid te maken om verantwoordelijkheid te nemen voor een conflict en zekerder van hun eigen gelijk. Dat is de standaardmodus: geen grens waar het model nooit overheen kan. Vraag je model gericht om tegenspraak, dan kan het dat geven. Het gebeurt alleen zelden vanzelf. Diezelfde altijd bemoedigende stem hoor ik soms ook bij begeleiders die zelf conflict vermijden en voortdurend meebewegen: geruststellen voelt dan aardiger dan tegenspreken, voor beiden. Het veld wordt er comfortabeler van, niet krachtiger.
Bij alle vier de factoren kunnen zowel AI als een mens tekortschieten. Geen congruentie, geen feedbackloop, geen timing, geen tegenspraak: wat een taalmodel mist, missen begeleiders ook zodra ze zelf niet aanwezig zijn. Maar alleen een mens kan zichzelf vrijmaken van wat hem in de weg zit. Dat is geen trucje; het is innerlijk werk.
Wat een transcript niet laat zien
Ik heb die vier factoren niet uit een boek. Ze zijn opgebouwd uit wat ik in sessies zie en pas daarna heb ik ze getoetst. Ik liet Claude met me meezoeken in mijn eigen sessietranscripten, op zoek naar een cliënt die benoemt hoe het voelde om begeleid te worden, gevolgd door een merkbare opening in de sessie erna. Veel van wat er eerst sterk uitzag, sneuvelde op de vraag of een taalmodel hetzelfde had kunnen zeggen: gedrag dat niet-oordelend of niet-defensief leek, bleek precies het soort gedrag dat een model minstens zo goed kan produceren, soms beter, omdat het niets te verliezen heeft.
Dat zoeken had een grens die niets met Claude te maken had. Een transcript legt vast wat er wordt uitgesproken. Een stilte is nog wel zichtbaar als een pauze, soms met een tijdsduur erbij. Wat er in die stilte gebeurde, in het lijf van de cliënt of in mij, staat er niet. Toen ik dat schreef aan Claude na een sessie waarin zo’n stilte het werk had gedaan, erkende het model het meteen: “Wat ik zie is de tekst. Wat er werkelijk gebeurt, zit in de ruimte tussen de woorden.”
Om dit werkelijk aan te tonen zou je videomateriaal moeten laten beoordelen door iemand die het vak kent, en dan is de vraag meteen hoe objectief dat oordeel is. Ik ben geen onderzoeksinstituut. Wat ik wel heb, is jarenlange ervaring en het vertrouwen dat ik op mijn eigen waarneming kan bouwen.
Voor wat een lichaam in zo’n stilte oppikt, biedt Porges’ polyvagaaltheorie een mogelijke fysiologische verklaring. Het zenuwstelsel scant voortdurend en onbewust het lichaam van de ander op signalen van veiligheid, een proces dat Porges neuroceptie noemt. Dat loopt via stem, gezicht, houding en timing. Het loopt niet via tekst. Een taalmodel kan achteraf, in tekst, reconstrueren wat er waarschijnlijk is gebeurd. Dat is een ander proces dan het live opmerken waar dit hele stuk over gaat. Een lichaam leest het terwijl het gebeurt.
P.S. Deze theorie is wel omstreden. Begin dit jaar noemden negenendertig onderzoekers de kernaannames onhoudbaar en reageerde Porges in hetzelfde nummer. Dat een lichaam iets oppikt, zie ik in elke sessie. Hoe dat fysiologisch werkt, weet ik niet.
David Grand, die brainspotting ontwikkelde en bij wie ik me heb laten opleiden, gaat daar nog een stap verder in. Zijn uitgangspunt is dat noch de therapeut noch de cliënt vooraf weten wat zich gaat ontvouwen. Je volgt het zenuwstelsel in plaats van het te sturen, en alles wat je als begeleider inbrengt en niet uit de cliënt komt, verlegt het traject. Ook goedbedoelde duiding. Wat dan als werkzame factor overblijft, is je grondhouding: of je het proces van de ander werkelijk vertrouwt, of je het onderweg beoordeelt en corrigeert. Dat vertrouwen wordt gevoeld, en het staat nergens in een transcript. Datzelfde niet-weten stond in het Vlaamse onderzoek als punt twee: behandelaars vroegen er zelf om.
Ook een taalmodel weet vooraf niet wat er komt. Het kan ook zeggen dat het iets niet weet, of voorstellen om er even de tijd voor te nemen. Wat het niet kan, is waarnemen dat zwijgen nú het juiste is, omdat er in dat lijf tegenover je iets aan het werk is waar geen woorden bij horen.
Dat vraagt om de onderste laag van die ijsberg: belichaamde aanwezigheid, het vermogen om te verwijlen in wat er is zonder het te willen ordenen. Een model kan die toestand beschrijven, en behoorlijk precies ook. Verwijlen kan het niet, want ordenen is nu juist wat het doet.
AI als tandem
Congruentie, de feedbackloop, afstemming in het moment en de stem die niet altijd bemoedigt: vier dingen die dat veld maken of breken. Samen bepalen ze of er iets verandert of alleen iets wordt begrepen. Ze komen uit de lagen onder het denken: voelen, in je lijf aanwezig zijn, kunnen rusten in niet-weten.
Ik schreef in maart al: Worden coaches en therapeuten straks overbodig? Wat AI overneemt is het cognitieve werk, het patroonherkennen in taal, en wie zelf instrumenteel werkt, een programma afdraait in plaats van een proces te volgen, wordt daar hard door ingehaald. Dat geldt niet alleen voor mijn vak. Zorg die via protocollen en indicaties loopt, onderwijs dat op meetbare opbrengst is ingericht, dienstverlening die uit vaste stappen bestaat: al die sectoren hebben zich jarenlang geoptimaliseerd richting precies de laag waar AI nu gratis in uitblinkt.
Dat brengt me bij de praktische vraag: wat betekent dit voor hoe jij zelf AI gebruikt?
AI werkt wat mij betreft het best in tandem met levende begeleiding, niet als vervanging ervan. Voor samenvatten, analyseren en feedback vragen is het uitstekend, en ik gebruik het daar zelf dagelijks voor.
Zit je in een traject bij een coach of therapeut, gebruik het dan tussen de sessies om te ordenen wat er geraakt is, om taal te vinden voor iets dat diffuus blijft, om te vertragen voordat je reageert. Neem dat mee naar de volgende sessie, waar iemand tegenover je zit die merkt wat er gebeurt terwijl het gebeurt, en waar een breuk hersteld kan worden op het moment dat hij zich voordoet.
Een eenvoudige test: wanneer heeft je AI je voor het laatst tegengesproken? Als het antwoord nooit is, vraag er dan om. Vraag wat je vermijdt. Vraag het model om je niet gerust te stellen. Leg dat ook vast in de vaste instructies of voorkeuren van je model en niet alleen in het gesprek zelf. Vraag je het los, dan is AI het de volgende keer weer vergeten.
Gaat het om voelen en verwerken, of loopt er spanning op in je lijf terwijl je typt, dan is het tijd om te stoppen met typen. Ga naar je lichaam in plaats van naar het volgende antwoord: mediteren, Qigong, of welke oefening je ook kent om weer in je lijf te landen. Of bel iemand, nu al. Zijn er gedachten aan de dood, dan is bellen het enige van dit rijtje dat telt. Een taalmodel kan die urgentie niet aanvoelen en het belt 113 niet voor je. Dat nummer is in Nederland dag en nacht bereikbaar, gratis via 0800-0113.
Het antwoord op de titelvraag van dit essay is subtieler dan een simpel nee. AI ziet je verhaal vaak uitzonderlijk goed. Wat het niet ziet, is wat zich niet in taal laat vangen: je lichaam terwijl je typt, de relatie die zich in de tijd opbouwt, het moment waarop een vraag wel of niet werkt, de breuk die nooit optreedt omdat er niets kan breken.
In datzelfde podcastgesprek zat ook dit: na een jaar legde een van hen de app naast zich neer. “Ik ben nu klaar ermee,”zei ze, want ze stond weer goed op haar benen. Dat lijkt me gezond gebruik, met een begin en een einde.
Wat er in dat jaar precies bij haar gebeurde, weten we niet. Misschien klopte het helemaal en was een jaar schaduwwerk in taal voor haar genoeg. Misschien was het vooral een cognitieve geruststelling en had haar lichaam dat jaar nog niet ingehaald. Dat verschil is van buitenaf niet te zien, ook niet door mij, en al helemaal niet door haar AI. Het is alleen te voelen van binnenuit of door iemand tegenover je die het zelf ook voelt. Maar zij kan het zelf wel nagaan en jij ook. Waar in jouw leven is iets werkelijk verschoven, en waar heb je vooral een goede uitleg gekregen?









