“Ik lees dan ook weer dingetjes van jou, van jouw blogs. En dan zie ik dat mensen in zeven weken erdoorheen zijn, dat het al een stuk beter gaat. Nou, ik ben nu ook al zoveel weken bezig, dus ik krijg steeds wel teleurstelling op teleurstelling te verwerken.”
Femke zegt dit in onze vijfde sessie, begin augustus. Ze komt dan bijna drie maanden bij mij.
Ik schrik daar even van. Niet van haar teleurstelling, die snap ik. Van het feit dat ze zit te rekenen, en dat ik dat rekenwerk zelf heb gevoed.
Deze blog gaat over dat rekenen: waarom zij het doet, en wat mijn aandeel erin is.
Femke heeft kleine kinderen en een eigen bedrijf. Twee jaar geleden liep haar bloeddruk aan het eind van haar zwangerschap hoog op. Sinds een jaar doet haar lijf dingen die ze niet kan plaatsen: hartkloppingen, duizeligheid, en een angst die de hele dag aanstaat.
Voordat ze bij mij kwam, had ze al vijf trajecten gevolgd: bij een praktijkondersteuner van de huisarts, een online programma over het zenuwstelsel, een coach voor belemmerende overtuigingen, een psycholoog en een online programma over angst. Bij die coach had ze zes sessies. Haar oordeel: “Hij kon mij niet helpen met de kern.” Daarna hoorde ze me in de podcast Leven zonder Stress van Patrick Kicken, las mijn website en belde.
Om te begrijpen waar haar teleurstelling vandaan komt, moet ik terug naar het begin.
Wat er in die blogs wel klopt
In de eerste sessie, in mei, zag ik al hoe snel haar hoofd is. Als ik vroeg wat ze in haar lijf voelde, keek ze omhoog en begon ze na te denken.
“Ik vind het heel moeilijk om te voelen. Dan ben ik meteen uit dat gevoel.”
“Ik zie je omhoog kijken,” zei ik. Weg uit het voelen, het hoofd in.
Later in die sessie vertelde ze wat er bij de coaches voor mij was misgegaan: “Bij die andere coaches nam ik het op een gegeven moment over. Dan ga ik ze coachen. Dan kom ik dus niet verder.”
Ik moest van binnen een beetje glimlachen. Dit krijg ik vaker te horen.
“Dat gaat hier niet gebeuren,” zei ik.
“Inderdaad. Daarom ben ik nu ook zo... ik vind het nu eindelijk. Dat ik me hier zo veilig voel. Daardoor lukt die overgave nu ook.”
In die sessie leerde ik haar ook de berg, de oefening waar we sindsdien mee werken. Je gaat zitten als een berg terwijl gedachten en gevoelens als wolken langstrekken, en je merkt dat jij die wolken niet bent. Ik schreef er eerder over in Waarom ik om 8 uur mijn kussen pak. Na de oefening zei ze verbaasd: “Het is ineens rustig in mijn lijf.” En toen we de volgende afspraak planden: “Ik lach weer. Dat is lang geleden.”
Twee weken later werd ze boos en huilde ze, allebei voor het eerst in jaren. “Jeetje, dit is in al deze coachings nog nooit zo ver gekomen.”
In de derde sessie kwam er een volledige ontlading. Daarna zei ze: “Ik voel me echt heel leeg. Wat wel heel positief is, is dat ik geen fysieke sensaties meer heb.” De spanning die al een jaar in haar lijf zat, was even helemaal weg.
Zulke sessies beschrijf ik in mijn blogs, en bij haar gebeurden ze ook. Alleen hield het niet stand. Er kwamen weken waarin het beter ging, en daarna kwam de angst terug.
Niet voelen is iets wat je leert
Waarom hield het niet stand? Bij Femke begint het bij een lijf dat ze niet vertrouwt.
In de derde sessie vertelde ze over het eind van haar zwangerschap. Haar bloeddruk was honderdveertig over negentig, ze werd gemonitord en wilde geen medicatie.
“Alleen mijn lichaam gaf geen signalen. Ik kreeg geen hoofdpijn, ik kreeg eigenlijk helemaal niks. Ik was alleen moe.”
Drie dagen na de bevalling moest ze toch terug naar het ziekenhuis. Pas met medicatie zakte haar bloeddruk. Ze concludeerde zelf: “Ik denk eigenlijk dat dat toch het punt is geweest waarop ik bang ben geworden voor mijn eigen lichaam, omdat het dus geen signalen gaf.”
Even later in hetzelfde gesprek draaide ze het om: “Ik kan het heel goed voor de geest halen, hoe dat in mijn lichaam voelde. Het heeft echt heel veel signalen gegeven. Ik heb het gewoon platgewalst met mijn hoofd.”
Haar lichaam gaf wel signalen, en zij drukte ze weg.
Wat velen niet beseffen: niet voelen leer je. Als iets niet te dragen is, splits je het voelen af en ga je je hoofd in. Daarna oefen je dat jarenlang, omdat het ooit de enige manier was om overeind te blijven. Wat ik in mijn praktijk keer op keer zie: hoe beter iemand is in niet voelen, hoe meer er later af te pellen valt, laag voor laag.
Waar Femke het leerde, werd in de vijfde sessie zichtbaar. We kwamen terug op het ziekenhuis. Ze zag de artsen rond haar bed en had het gevoel dat niemand wist wat er moest gebeuren. “Ik voelde me in de steek gelaten.”
Toen ging ze verder terug. Ze zag zichzelf als meisje aan tafel zitten, met een agenda en een hele planning voor school. Voor tennis, haar sport, was geen ruimte meer. Toen ze dat beeld voelde, kwam er walging, om wat niemand deed: “Daar voel ik echt enorme walging. Dat niemand heeft ingegrepen.” En even later: “Vanaf dat moment zie ik allemaal dingen gebeuren. Vwo gehaald, cum laude. Toen heb ik nooit meer gepiept. Altijd maar doorgegaan.”
Daar begint het patroon dat ik bij haar steeds terugzie: plannen, presteren, en bijhouden hoe ver ze is. In diezelfde vijfde sessie legde ze haar eigen tempo naast mijn blogs. Daar komt de teleurstelling vandaan waarmee deze blog begint.
Het getal is van mij
Ik werk met trajecten van meestal zes sessies. Dat getal koos ik op basis van ervaring: toen ik trajecten van zeven of meer sessies aanbood, maakten veel mensen er zelf zes van. In mijn blogs staat wat er in zo’n traject kan gebeuren. De lezer maakt daar gemakkelijk zelf een som van: zes sessies, en dan ben je klaar. Femke onthield zeven weken. In geen van mijn blogs staat een termijn, maar ze suggereren er wel een.
Die som klopt niet, en dat ligt aan het woord ‘klaar’. Ik dacht zelf jarenlang dat ik klaar zou zijn als ik een training had afgerond. Dat was natuurlijk een illusie, je bent nooit klaar. Wel zakte op een gegeven moment de urgentie, en dat zie ik in mijn praktijk steeds weer: mensen stoppen zelden omdat ze klaar zijn, ze stoppen omdat de urgentie weg is.
Het getal zegt ook iets over mij. Ik wil dat mensen mij zo snel mogelijk niet meer nodig hebben. Dat is zorg voor iemands autonomie, en tegelijk een oude angst van mij: liever maak ik mezelf overbodig dan dat iemand mij afwijst.
Maar ik vraag mensen ook of ze losse sessies willen of een traject, en bij een traject geef ik tien procent korting. Het voordeel van een traject is dat iemand ook nog komt als de urgentie gezakt is. Er ligt dan bijna altijd nog materiaal dat minder dringend oogt maar dat niet is. Zo zegt het traject met geld wat ik zelf zelden hardop zeg: dat doorgaan zin heeft. En hoe langer iemand blijft, hoe meer ik verdien. Dat is een spanningsveld.
Voor mij doet het getal zes dus twee dingen die elkaar tegenspreken. Het laat mensen snel gaan, maar houdt ze via het traject ook vast als de urgentie zakt. Voor Femke deed het iets heel anders. Voor haar werd het een maatstaf.
Haar eigen rekensom
Twee weken later, half augustus, zien we elkaar voor de zesde keer. Het is de laatste sessie van het traject. Ze vertelt dat ze de week ervoor is ingestort. Ze heeft achtenveertig uur gehuild. Daarna heeft ze haar aandeelhouders bij elkaar geroepen en gezegd dat ze de komende maanden niet werkt. Ze is sceptisch geworden, ze heeft al zo vaak iets geprobeerd wat niet hielp. Tegelijk wil ze door.
Dan begin ik zelf over wat ze de keer daarvoor over mijn blogs zei. Ik zeg:
“Je refereerde vorige keer aan die blogs, hè. Van: nou, binnen zes keer klaar. Ongeveer, zo voelde het. En ja, natuurlijk, ook een beetje marketing, laat ik eerlijk zijn. Maar het is ook waar dat bij de ene een doorbraak binnen drie sessies komt en bij de andere langer duurt.”
Ook van haar instorting maakt ze zelf een rekensom:
“Ik houd het tweeënhalve maand vol, ongeveer tien weken. En dan stort ik in. Van de ene op de andere dag zie ik het niet aankomen.”
Het is de vijfde keer dat ze zo instort, en de eerste vier keer kende ze mij nog niet. Ze rekende al voordat ze mij kende.
Haar hoofd neemt elke oefening over
Later in de sessie geef ik haar terug wat ik zie:
“Je hebt door historie geleerd uit je lijf te gaan en niet te vertrouwen op je lijf. Niet te voelen. Daar ben je kei in geworden, met een sterke, krachtige, slimme, wilskrachtige mind. Dat heeft je ook gebracht waar je bent. Maar je lichaam zegt eigenlijk elke keer: luister naar mij. Dat heb je geleerd te negeren. (...) Dat is een prestatie. Maar je hebt er ook een prijs voor betaald.”
Die mind neemt ook de oefeningen over die ik haar geef. Ze doet elke dag de berg en houdt in een schriftje bij hoe het ging. Ze heeft het net teruggelezen:
“Als je dat dan analytisch bekijkt, zijn al die bergoefeningen die ik doe allemaal met een negatieve lading. En toen dacht ik in één keer: ja, dat kan dus helemaal niet. Want dan bepaalt mijn brein nog steeds hoe ik die bergoefening moet doen. Ik probeer wel de bergoefening te doen, maar dat gaat nog steeds vanuit mijn hoofd.”
Ze ziet het scherper dan ik het had kunnen zeggen. Haar hoofd kan elke oefening die ik haar geef overnemen en ombouwen tot een prestatie. Ze geeft zichzelf zelfs cijfers: “Ik blijf steeds hangen op een plateau van een vijf, zes.”
Hetzelfde gebeurde met de vijf trajecten die ze eerder volgde. Ze hebben haar veel gegeven: ze weet alles van haar zenuwstelsel en ze kent haar overtuigingen. In haar intake schreef ze zelf dat geen ervan met het lichaam of met trauma werkte. Ze spraken allemaal haar hoofd aan, en haar hoofd nam elk inzicht keurig in ontvangst en sloeg het op.
Ze voelt het wel, en gelooft het niet
Toch voelt ze meer dan ze denkt. In haar intake, in mei, schreef ze dat ze het lastig vindt om te ervaren hoe een ontspannen lichaam voelt.
In deze zesde sessie vraag ik haar om haar lijf langs te lopen. Ze doet het nauwkeurig. Buik rustig. Wat druk op de borst. Schouders oké. Moe.
Dan zegt ze: “Precies dit voel ik heel vaak. Eigenlijk precies niks.”
Wat ze beschrijft, is een lijf dat op een paar plekken iets voelt en verder rustig is. Zij noemt dat niks. Ze merkt dus wel hoe een grotendeels rustig lijf aanvoelt. Alleen komt er meteen iets achteraan:
“Ik zou dat dan liever even willen meten. Hartslag meten, bloeddruk meten. Ik wil bevestigen dat dat een norm is.”
Daar zit het kantelpunt van deze sessie. Twee jaar geleden drukte ze de signalen van haar lijf weg. Nu luistert ze wel, en ze gelooft niet wat ze hoort. Ze wil een getal dat bevestigt wat ze voelt.
Zo verzamelt ze getallen om zich aan vast te houden: haar bloeddruk, een cijfer voor haar oefening, en een termijn waarbinnen ze klaar had moeten zijn. Die termijn kwam van mij.
Wat er sprak toen ze even niet nadacht
De cijfers die ze zichzelf geeft, komen van een stem die ze goed kent: haar innerlijke criticus. Ik zeg dat ze daar best wel vriendjes mee is.
“Dat is mijn grootste vriend,” zegt ze meteen.
Ik vraag haar twee stoelen tegenover elkaar te zetten. Op de ene zit haar criticus, op de andere de bekritiseerde. Ze wisselt van stoel en antwoordt telkens vanuit de plek waar ze zit.
Vanuit de criticus: “Ik doe dit om jou te beschermen. Omdat je nooit echt luistert.”
Dan wisselt ze. Vanuit de andere stoel, nadat ze zich echt verbonden heeft met de bekritiseerde: “Ik wil ook wel naar je luisteren. Maar ik kan het gewoon niet zo goed. Ik weet gewoon niet zo goed hoe ik voor mezelf moet zorgen. Ik weet ook niet zo goed hoe een ontspannen lichaam voelt.”
Het is bijna letterlijk de zin uit haar intake, terwijl ze eerder in dezelfde sessie nauwkeurig had beschreven hoe het voelt om een ontspannen lijf te hebben. Daarna kijkt ze me aan.
“Ik vind het wel bijzonder dat die antwoorden dan in één keer komen. Zonder na te denken.”
Belangrijker dan wat ze vanuit die stoelen zei, is dat ze iets uitsprak wat ze niet bedacht had. Bij iemand die zo snel denkt als zij, gebeurt dat zelden. Haar hoofd laat zich niet overtuigen, en dat hoeft ook niet. Het moet even iets anders aan het woord laten.
Waarom ze doorgaat
Aan het eind van de sessie geeft ze zelf aan verder te willen. Ze is teleurgesteld over het tempo, niet over de sessies. Over wat die sessies doen, zegt ze: “Ik had dus eigenlijk nooit iemand die mij daar even uit kan halen. Want op een gegeven moment zit je in een soort storm en je moet daar gewoon weer even uit.”
Ze merkt ook dat er iets verandert, al meet haar maatstaf het niet. Ze heeft weer nachten van zeven uur achter elkaar geslapen, voor het eerst in een jaar. In een conflict met een aandeelhouder merkte ze het signaal in haar lijf en sprak ze zich uit, in plaats van te incasseren. Het besluit om te stoppen met werken nam ze, zegt ze zelf, vanuit de berg. Tegelijk ziet ze dat hardnekkige patronen die haar ondermijnen daarmee nog niet verdwenen zijn. Ze zet stappen, en er is nog veel af te pellen.
Dat ze bij mij door wil, heeft ook met mij te maken. Ik herken haar patronen: het snelle hoofd, de prestatiedrang, het lichaam dat uiteindelijk zegt: stop. Ik was haar. Niet letterlijk, maar de beweging is dezelfde. Zo’n controlerende mind is niet lastig of eigenwijs. Hij is bang om grip kwijt te raken. Ik neem hem serieus en elke tegenwerping krijgt een antwoord, maar hij komt er bij mij niet mee weg. Bij mij gaat ze niet de controle overnemen.
En ik werk via het lijf, anders dan de vijf trajecten die haar hoofd aanspraken. Thuis neemt haar hoofd de berg nog vaak over, dat liet haar schriftje zien. In de sessie komen we er wel langs, zoals bij de stoelen.
Niemand heeft me erdoorheen gekregen
Ik geef haar eerlijk aan dat dit geen traject is van een paar vervolgsessies en klaar, en ik zeg erbij dat ik hoop dat ik haar daarmee niet teleurstel.
Ze denkt even na.
“Dat had ik dus wel gehoopt. Maar dat heb ik niet meer. (...) Dat heb ik heel vaak geprobeerd, echt met heel veel verschillende mensen. Maar niemand heeft me erdoorheen gekregen. Dat is wel zo. (...) Ik wil nog wel misschien dertig jaren een leuk leven. (...) Dus nu is wel het moment.”
We plannen de volgende afspraak. Ik stel voor om ongeveer eens in de drie weken af te spreken, en laat haar daarmee ruimte, zoals ik meestal doe. Zij wil het anders.
“Ik zou het toch wel fijn vinden om de komende maand één keer in de twee weken.”
Was dit nou de vijfde sessie?
Twee weken eerder, aan het eind van de vijfde sessie, de sessie waarin ze over mijn blogs begon, plannen we ook een afspraak. Ik kijk in mijn aantekeningen en vind het sessienummer niet.
“Ik heb even de nummering hier niet helemaal staan. Maar was dit nou de vijfde sessie?” vraag ik.
“Ik weet het niet. Ik heb het niet bijgehouden. Dat spijt me echt,” zegt ze.
Het was de vijfde. Ik had het moeten bijhouden, en zij verontschuldigt zich. Sessies telt ze niet. Ze meet haar vooruitgang af aan een termijn die uit mijn koker komt. Zo werkt haar systeem: als er iets niet klopt, ligt het aan haar.
Als jij ook aan het rekenen bent over hoeveel weken je nu bezig bent en waarom het bij jou langer duurt: dat getal komt ergens vandaan. Misschien van mij.
En het zegt niets over hoe ver je bent.







